Gert vertelt

De opkomst is groot, met ‘s morgens 27 en ‘s middags 15 kinderen. Gert vertoont een prachtige video over de uilen die in Nederland voorkomen. De eerste is de ransuil, hij heeft oorpluimen, maar met zijn gehoor heeft het niets te maken. Ze zitten er waarschijnlijk voor de sier en om te imponeren. De kerkuil kiest vaak een boerenschuur uit als zijn woonstekkie. Hij heeft een plat, hartvormig gezicht, dat als een schoteltje werkt om geluiden op te vangen. De kleinste, de steenuil, zie je wel eens overdag in een knotwilg zitten zonnen. De grootste, de oehoe vind je in grotten en steengroeven, bijvoorbeeld in Limburg. De velduil, ook best groot, houdt meer van ruige grasvlaktes, hij is wel waargenomen in het Bentwoud.

Braakballen van uilen

Braakballen van uilen © Esmeralda

Elke uil heeft zijn eigen menu

Elke uil eet zijn eigen soort muizen, zo blijft het evenwicht in diersoorten gehandhaafd. Daarnaast eten sommige ook mollen of wormen, enz. ‘Mogen we de botjes meenemen?’ klinkt het onverwacht uit een enthousiaste kindermond? ‘Eten uilen ook vogeltjes?’ vraagt een ander. ‘Ja’, is het eerlijke antwoord, ‘sommige uilen eten ook vogeltjes.’ Maar nu eerst die muizen, daar heb je ook allerlei soorten van, vertelt Gert. Wat eten die zoal? De huismuis blijkt een vegetariër die graan eet en aan grassen knabbelt. De spitsmuis met zijn spitse snuit eet het liefst insecten. En de veldmuis is een alleseter. Hun gebitjes zijn dus verschillend, kijk maar eens als je een braakbal hebt uitgeplozen en de kiezen en tanden onder de loep bekijkt.

Uilenklauw

Uilenklauw © Esmeralda

Het gereedschap van de uil

Ja, hoe vangt de uil zo’n vliegensvlugge muis? Heb je zijn poten wel eens goed bekeken? Hij kan zijn buitenste teen zo draaien dat er twee naar voren en twee naar achteren wijzen. Wijzen, nou daar kom je niet ver mee als je honger hebt. De poot vormt eigenlijk een soort klauw waarmee hij de muis stevig kan grijpen. Maar voor hij hem vangt moet hij hem eerst lokaliseren, hij moet precies weten waar die lekkere hap verscholen zit. Dat kan een uil als de beste, doordat zijn gehoorgang links en rechts, op verschillende hoogte zit. Zo hoort hij extra goed. Hoort hij geritsel, dan bepaalt hij snel waar het vandaan komt, vliegt erop af en grijpt met zijn poten de prooi. De muis slikt hij in één keer naar binnen of hij knipt hem met zijn kromme snavel in stukjes –net als een tang- en voert hem aan zijn jongen. Een Ranger vraagt of een uil de muis ook onder een sneeuwlaag kan volgen. Nu, een sneeuwuil die hier in het wild niet voorkomt, -maar wel in Blijdorp te zien is-, kan de muizen zelfs onder de sneeuw horen.

Grote ogen

  • De steenuil, die overdag jaagt heeft gele ogen.
  • De ransuil die met de schemer jaagt heeft oranje ogen.
  • De kerkuil die ’s nachts jaagt heeft zwarte ogen.
  • Ook de velduil jaagt overdag en heeft ook lichte ogen.

Uilen kunnen overdag maar ook in het donker heel goed zien, vooral in de verte. Dichtbij zien ze minder goed.

Uilenweetjes

Takkeling, is de naam voor een jonge uil die het nest verlaat om zijn omgeving te verkennen, een veilige plek is dan een tak in de buurt van het nest. Uilen vliegen onhoorbaar door een extra donsveertje aan de veren. Ze kunnen hun nek heel ver naar rechts en links draaien, wel 270°. Dat is handig maar ook nodig, want hun ogen kunnen ze niet draaien. De ogen staan altijd naar voren gericht. De oren van vogels zien eruit als 2 gaatjes.

Vraag: Waarom hebben uilen geen oren aan de buitenkant, zoals andere dieren?

Wilgenkatjes

Wilgenkatjes © Ina

Wilgenkatjes op hand

Wilgenkatjes op hand – Ben vertelt

Nu de beurt aan de Rangers

We maken twee groepen, de ene gaat naar buiten en de andere gaat pluizen. Over een half uur wisselen we. We wandelen naar de Tussenbult en bekijken onderweg de natuur. Er zitten al wilgenkatjes aan de wilgen, het zijn net zachte witte donsknopjes. Aldan peutert er een paar open, en laat ons zien dat ze prachtig verdeeld zijn in vakjes met in elk een klein rood zaadje. Gert wijst naar de lichtgele bloem van het raapzaad. Dan kijken we op, hoog in de boom zit een nest van de ekster. Een vrouwtje torenvalk komt onze kant uitvliegen. Opeens blijft ze stil in de lucht hangen op één plaats. Tegen de wind in beweegt ze haar vleugels snel op en neer. Dat noemen we bidden, zo kan ze goed speuren naar een prooi. We lopen over bruggetjes en op verschillende plaatsen ruik je een vossenlucht, een doordringende urinegeur, het spoor van de vos.

Lange, gele katjes hangen aan de hazelaarstruiken. Als je ertegen tikt, stuift er een fijn geel poeder uit. De hazelaar is een struik die zich vanaf de grond al vertakt. Her en der zien we bergjes aarde in het gras, dat zijn molshopen die de mol naar boven duwt. Aangekomen bij het kunstwerk ‘Spoortunnel’ hebben we een prachtig uitzicht, de ochtendgroep heeft vanaf dit punt drie buizerds gezien. Hier op de Tussenbult waar de grond vrij droog blijft, zien we veel muizengaatjes. De eerste lentebloeier is genoteerd, het klein hoefblad met zijn gele buisbloempjes. Op de plas zijn de meerkoeten al bezig hun territorium te verdedigen, aan de heftige kreten te horen; een futenpaartje is ook al op liefdespad, maar die doen het rustig aan, ze broeden meestal ook later. Weer terug in het Trefpunt, drinken we limonade en gaan dan de uilenballen te lijf.

Uilenballen pluizen

Uilenballen pluizen © Carlo

Uilenballen pluizen

Uilenballen pluizen © Gert

Braakbal pluizen

Astrid vertelt dat je het beste met de satéprikkers voorzichtig alle botjes kunt lospeuteren en dan als alles eruit is, de botjes één voor één kunt bekijken en dit dan vergelijken met de kaart, waarop de botjes, gebitjes en schedeltjes staan getekend. Onder de loep die erbij ligt, zie je het nog beter, zo kun je de botjes op naam brengen. De eerste braakbal is van de kerkuil. Fréderique vindt dat er wel heel veel muizenhaar uit een bal komt. Ze heeft ook twee schedeltjes van de woelmuis en veel ribbetjes. Anna ziet dat er een rode kleur op sommige kiesjes zit. Die zijn van de spitsmuis. Ze vindt ook keverschildjes en een nagel van een vogel. Ard weet dat een uilennek zo flexibel is, omdat de uil 2 x zoveel nekwervels heeft als een mens, hij heeft er 14. Gert illustreert met behulp van een aardappel op een stokje geprikt, waarop een gezicht getekend is, hoe ver een uil zijn kop kan draaien. Jan heeft alle botjes er uitgepeuterd en begint aan de braakbal van de ransuil, eens kijken wat die allemaal gegeten heeft.

Gert geeft certificaat

Gert geeft certificaat © Astrid

Certificaat

Na afloop krijgen alle kinderen een echt certificaat ‘Uilenballenpluizer’ uitgereikt en mogen de botjes mee naar huis om verder te bestuderen, of om nog even te griezelen? Tot de volgende Rangersdag weer, en hou intussen je ogen goed open. Met dank aan alle organisatoren van deze fijne pluisdag.

Tekst: Ina Geenen