Er zijn 43 kinderen afgekomen op de wervende poster om uilenballen te komen pluizen.
De ochtendgroep liet zich door de kou niet afschrikken.



De ransuil houdt alles in de gaten © Simon

Gert vertelt
De middaggroep luistert geboeid naar wat Gert vertelt over de soorten uilen die in Nederland voorkomen. Wel zes verschillende soorten. Op de getoonde foto’s kun je de verschillen goed zien. De ransuil heeft rechtopstaande pluimen op zijn kop. Het zijn geen oren al heten ze wel oorpluimen, ze zijn voor de sier. De echte oren zie je niet goed, ze zitten verstopt achter zijn veren, aan weerskanten van zijn grote, oranje ogen. Omdat de uil ’s nachts jaagt moet hij wel een scherp gehoor hebben want zien doet hij niet zoveel in het donker. Daar heeft de natuur een mooie aanpassing voor bedacht. Zijn oren zitten ten opzichte van elkaar niet helemaal gelijk. Het ene oor zit wat lager dan het andere. Handig bij het jagen, hij krijgt geluiden onder verschillende hoeken binnen en weet zo zijn prooi beter te lokaliseren. Eén van de Rangers wist dit al!
De oehoe die in Limburg voorkomt, is de grootste uil en hij heeft liggende oorpluimen. Hij kijkt met een blik van ’Je kunt me nog meer vertellen maar ik ga een tukkie doen’. Als je een keer in diergaarde Blijdorp komt, kun je het zelf zien. Je weet dat vogels wel genoemd worden naar het geluid dat ze maken. De oehoe roept zijn eigen naam: oehoe.

Nog meer soorten
De steenuil is de kleinste uilensoort in Nederland. Je vindt hem op het platteland vaak bij boerderijen. De kerkuil is wel de mooiste onder de uilen. Zijn gezicht vormt een wit hart en zijn veren zijn fijn gespikkeld. Hij broedt graag in kerktorens of in de nok van een boerenschuur.
De velduil zien we in onze omgeving minder, hij houdt van open vlaktes.
De bosuil houdt van bos en parklandschap. Hij broedt in boomholtes of in een bosuilenkast met een groot rond gat erin.
Een meisje kent nog de konijnuil uit Blijdorp. Het is een heel klein uiltje dat in open vlakten in Amerika leeft en broedt in een zelf gegraven hol of in een oud konijnenhol, op de grond dus.
Andere kinderen kennen de prachtige sneeuwuil van Blijdorp. In de sneeuwvlaktes waar hij eigenlijk vandaan komt, valt hij niet op met zo’n wit verenpak, dat noem je dan een schutkleur (camouflage).

Verschil uil en roofvogel
Gert laat een opgezette ransuil zien. We vergelijken zijn kop met die van een roofvogel en kijken naar de torenvalk op het schilderij.
De uil heeft zijn grote ogen aan de voorkant van zijn kop zitten en ze liggen ook wat dieper in zijn kop.
Een roofvogel heeft zijn ogen aan de zijkant van zijn kop en zijn kromme snavel steekt sterk uit.
Een Ranger heeft goed gekeken, ze vindt de kop van de uil gedrongen, zodat het lijkt of hij geen nek heeft. Een roofvogel heeft meer een nek.

En.....puzzelen maar! Wat is dat botje? ©  Elianne

Braakballen
Dan zien we een foto van uilenballen die per uilensoort verschillend van vorm en grootte zijn. Ook de inhoud verschilt omdat elke uilensoort zijn eigen menu heeft. Ook meeuwen, kraaien en reigers braken ballen uit.
Wat zit er allemaal in een uilenbal? De vingers gaan omhoog, ze weten heel wat te noemen, botjes, ribbetjes, tanden, nagels, veren, haren.
De uil gebruikt bij het jagen zijn poten met vlijmscherpe nagels aan zijn tenen, ook wel klauwen genoemd.
Om een uilenbal uit te pluizen ligt er voor ieder kind een loep, een determinatiekaart en satéprikker klaar.
De groep wordt gesplitst, één groep gaat naar buiten om de winterkou te ervaren en de andere gaat pluizen.

Wat een mooi muizengebit - woelmuis? ©  Astrid

Pluizen tot op het bot
Eens kijken hoe dat gaat. Ik zie kinderen met hun handen de bal voorzichtig breken en telkens wat pluis wegtrekken; een uitstekend botje wordt zorgvuldig losgepeuterd. Wat is het? De vondst wordt goed bekeken en vergeleken met het werkblad, waarop alle muizenonderdelen staan getekend.  Zelfs de kaakjes en gebitjes van drie muizensoorten staan er op. Daar zie ik iemand die het toch wel wat eh,  ….. een beetje vies vindt misschien om zo’n braakbal beet te pakken. Geeft niks, ieder zijn eigen manier en hij is heel handig met de satéprikkers.

Wat een botjes tussen al die haren © Esmeralda

Een Ranger zit op het puntje van zijn stoel, in de ene hand de braakbal en met de prikker in de andere hand wroet hij secuur de botjes los, dat lijkt de methode. De op naam gebrachte botjes worden ingekleurd op het werkblad. ‘Hé, ik heb iets heel hards!’ Ik ga gauw even kijken. Het ene na het andere haarplukje valt op de grond. Er komt een gaaf schedeltje uit. ‘Ik heb al veel ribben’, klinkt er één wat teleurgesteld. Tja, daar hebben we er meestal meer van. ‘En ik heb al twee woelmuizen!’ Nou die uilen kunnen heel wat verstouwen. Weet je dat uilenouders soms een hele muizenvoorraad in de hoek van het nest hebben liggen voor hun jongen? Al onderzoekend komen we heel wat te weten. Sommige onderkaakjes lijken wel wat op elkaar maar de kinderen zien gauw de verschillen. Een jongen heeft een gebroken schouderblad gevonden. Hoe zou dat komen? Dat is vast gebeurd toen die uil het muisje greep. Een meisje ziet dat een plukje haren -meestal vind je grijze- aan het eind bruingeel is. ‘Hier, dat is een schouderblad’ klinkt het geroutineerd. Het botje gaat in de verzamelbeker bij de andere muizenonderdelen. Even later: ‘Ik heb een schedel van een woelmuis met bovenkaak dat zie je aan het patroon van de tandjes’. De tijd vliegt om en voor ze helemaal uitgeplozen zijn staat de andere groep al te trappelen.

Het visdiefjeseiland in de maak © Esmeralda

Ook buiten van alles ontdekken
Voor het Trefpunt ligt een houten omlijsting, een soort bak zonder bodem. Waar zou die nu voor zijn? Het is nog in de maak, maar het wordt een visdieveneiland. Er komt een groot kussen van piepschuim blokken in, verpakt in waterdicht plastic en daaroverheen een soort net. Het geheel gaat ter plaatse in de houten omlijsting. Het heet nu een vlonder, dat te water wordt gelaten. Het is zwaar, dus dat gebeurt met een tractor. Dan komt er een dikke laag schelpen op. Het blijft drijven en wordt op zijn plaats gehouden door twee metalen buizen die in de grond worden vastgeslagen en aan weerskanten van het vlot door een ring steken. Bij wat hogere of lagere waterstand beweegt het in de hoogte mee maar het kan niet afdrijven. Als schuilplaats voor de jongen dienen een paar ronde dakpannen. Nu maar wachten of er na die inspanningen ook visdiefjes komen broeden. Op de vlonders die vorig jaar zijn geplaatst is dat al met succes gebeurd.

De kinderen komen even in actie en halen ieder vijf kastanjes uit het gras, dan blijft het mooi groen. Rottende kastanjes kunnen een zuur afgeven waardoor er gele plekken in het gras komen.
Rond het Trefpunt kun je nu nog makkelijk rond de plas lopen, maar over een paar maanden is het dichtgegroeid met een bekende venijnig prikkende plant: de brandnetel. Nou dan laat je het ook wel om er nog door te lopen.
We zien een paar groene pollen fluitenkruid, straks bloeien daar mooie, witte bloemschermen uit.

Bijen dragen bij aan de bloei door het vruchtbeginsel te bestuiven, zo kunnen de vruchten groeien. We hebben de bijen en andere insecten heel hard nodig. Want alle planten en vruchten die de mens eet moeten eerst bestoven worden. Soms gebeurt dat door de wind maar voor het grootste deel is dit een taak van de insecten.

De koolmees zingt een kort liedje dat hij steeds herhaalt. Ik zit hièr, ik zit hièr, ik zit hièr. Het klinkt als een fietspompje, een beetje eentonig, maar ik word er blij van want het voorjaar begint. Koolmezen maken wel veel variaties in de melodie. Zo hoorde ik gisteren, ‘Hièr ben ik, hièr ben ik’.

De takkenril is niet alleen gemaakt om gesnoeide takken kwijt te kunnen maar ook om kleine zoogdieren zoals egel, muis en rat aan een schuilplaats te helpen. Vogels kunnen tussen die dichte takken veilig broeden.

De knoppen van de kastanje glimmen en voelen wat plakkerig aan. Dat heeft een bedoeling: vogels zullen die knoppen niet zo snel eten, want als je snavel dichtgeplakt zit, is het moeilijk zingen en eten.
Aan een wilgentak groeien al katjes. Wilgentakken zijn soepel, ze buigen mee en je kunt ze niet gemakkelijk breken. Daarom gebruikten de mensen ze vroeger voor van alles en nog wat om mee te vlechten. Ook nu nog maken ze er bijvoorbeeld eendenkorven van, die je wel eens in de singels ziet liggen. Ook onze Wilgwam die jullie goed kennen is van wilgentakken gevlochten.

Buiten vlakbij de paddenpoel © Simon

Grootste nestkast voor kleine vogel
Als Gert vraagt wie nog iets bijzonders ziet, wijst een meisje een ‘echte boomtak’ aan. In de onderkant van die dikke tak zien we ringen. Als je wilt weten hoe oud een boom is moet je lang wachten, tot hij wordt omgezaagd. Dan kun je de jaarringen op de boomstam tellen. Elke ring is een jaar.
Aan de overkant van het water zien we twee grote, houten kisten met elk twee grote ronde gaten erin. Waar zijn die nou voor? Die gaten zijn de ingangen van het nest voor de ijsvogel, die hier regelmatig gezien wordt. In het voorjaar zullen de kisten al gauw niet meer te zien zijn doordat het riet er omheen groeit. Erachter zit een hele stevige hoop aarde waarin de ijsvogel een lange gang graaft om aan het eind een grotere ronde plek uit te graven met zijn stevige pootjes, er eieren te leggen en ze uit te broeden.
Gelijk maar eens goed naar de bomen kijken op de oever. ‘Hé, ze hebben een spierwitte stam’. Dat zijn berken. Wat verderop een grote boom met hangende takken. Weet je zijn naam? Onthoud het zo: Als je huilt dan laat je je hoofd hangen en je tranen vallen omlaag. Huilen heet ook wel treuren. Nu weet je waarom die boom een treurwilg wordt genoemd.
We horen een krassend geluid en kijken naar de vogel die net aan is komen vliegen. Het is een Vlaamse gaai, je weet wel, die overal eikels verstopt als wintervoorraad.

Pas op voor de chocolademelk! © Valesca

Pluisdiploma
Na alle activiteiten is het terug op het Trefpunt genieten van een beker warme chocolademelk en een dropmuis toe.
De Rangers krijgen een echt certificaat mee (een pluisdiploma zoals Gert zegt) en een mooie puzzel voor thuis, die Astrid gemaakt heeft. De oplossing kun je opsturen, hij levert een leuke attentie op

O, ja vanaf zondag 18 februari kun je weer meekijken naar de nestkasten van ‘Beleef de lente’. Bedankt voor de tip, Carlo!

Misschien tot de volgende keer: zaterdag 17 maart ‘Verrassende lenteopdrachten’

Tekst: Ina Geenen

Tip voor wie een paar sportieve uilen wil zien: ga naar https://www.rijksmuseum.nl/nl/collectie/RP-P-OB-23.183.
Het is een kopergravure naar een schilderij van Adriaen van de Venne / Schaatsende uilen, datering 1620-1660 / Rijksmuseum, Amsterdam.

Hartelijk dank voor deze ontzettend leuke kinderhappening en onze eerste kennismaking met Rotta!
Stella vond het echt heel leuk en cool en kon niet wachten om thuis verder te pluizen. Vandaag heeft ze - tussen het voorbereiden van haar spinnenspreekbeurt - samen met papa de botjes uitgekookt. Ze is er heel groos mee. Op de puzzel broedt ze nog even verder.
Wat een mooi gebouw en prachtplek! Wat een verzorgde en leuke activiteit! Dank!
De moeder van Stella