Roerganger: Henk Zomer; natuurgidsen: Rien van der Vorm en Ina Geenen. Aantal deelnemers: 10. We rijden naar Culemborg en met een pontje varen we naar de overkant van de Lek en hier begint onze wandeling.

Pontje bij Culemborg

De uiterwaard bestaat hoofdzakelijk uit grasland. Het is een schitterend open gebied. We zien veel vogels en er is een grote variatie aan planten. Er is één obstakel: een hek waar je overheen moet klimmen. Gelukkig zijn er veel mantelzorgers die ervoor zorgen dat iedereen deze hindernis zonder gevaar neemt. De 'Rotta Mantelzorg' werkgroep wordt bij deze hartelijk bedankt. Voor Henk Zomer is dit toch wel een smet op zijn blazoen. De gemiddelde leeftijd van de deelnemers ligt toch wat aan de hoge kant. Hindernis- en stormbaan liggen ver achter ons. Voor onze leeftijd geldt: neem de gebaande wegen. Zijn opvolger zal hier degelijk rekening mee moeten houden.

Wat zien en horen we zoal aan vogels: witte kwik, tjiftjaf, visdieven, scholeksters, (u weet wel: “Die Piet, die Piet”), kokmeeuwen, kraaien, zilvermeeuwen, grauwe ganzen, brandganzen, Canadese ganzen, winterkoning, heggenmus en graspiepers. Die stijgen met snelle vleugelslagen om vervolgens met stijve vleugels te dalen. Grasmussen. Ze nestelen in doornstruiken en zingen vanaf de toppen van die struiken. Ze hebben een stijgende zangvlucht. Veldleeuweriken, heel bijzonder omdat de stand van deze vogel hard achteruit gaat. In zangvlucht klimmen ze omhoog met fladderende vleugels en hangen op zo’n 50 - 100 meter stil in de lucht. Ze dalen aan het eind van de zangvlucht zingend naar beneden en ze laten zich het laatste deel met gesloten vleugels op de grond vallen. Verder gierzwaluwen, knobbelzwanen, een groepje jonge spreeuwen, roodborsttapuit, futen, blauwe reigers, een fazanthaan en een rietgors. Ook is er in dit gebied een zeer rijke flora.

Blonde d'Aquitaine

Deze kant van de Lek is een echt weidegebied. Veel open grasland. Er grazen veel koeien, waaronder Blondes d’Aquitaines. Ze lijken erg op limousinkoeien maar limousinkoeien zijn agressief. Die lopen nooit vrij rond. Die Blondes d’Aquitaines zijn vriendelijke, gemoedelijke en nieuwsgierige dieren. Ze zijn mooi, groot en elegant met een goed spierenstelsel. Ze zijn totaal niet agressief. Ze hebben veel belangstelling voor dat groepje Rotta-gangers en ze komen dan ook naar ons toe om eens even lekker aan ons te ruiken en aan ons te snuffelen. Sinds 1963 hebben ze een eigen stamboek.

Walnoot

Dood flappie

Ook familie konijn geeft akte de présence. Helaas zien we ook een dood flappie, waarschijnlijk prooi van één of andere roofvogel. Er is een weelde aan planten. Bramen, kamperfoelie, akkerdistel, kruisdistel, walnotenbomen, veel dooie essen, zwanenbloemen, valeriaan (iedereen wordt opeens heel rustig), kaardenbollen. De plasjes zitten vol met watergentianen, ze lijken veel op de waterlelie. Verder zien we nog kruipend stalkruid. Stal is een oude naam voor pis. Vooral paarden en ezels gaan er helemaal los van. Cichorei (mijn ouders dronken in de oorlog surrogaatkoffie gemaakt van cichorei), jacobskruiskruid, witte en roze klaver en brunel. Het is te veel om alles op te noemen. Het is maar een deel van wat we gezien hebben.

We varen in een ander pontje naar de overkant en we lopen naar fort Everdingen, een belangrijk onderdeel van de Hollandse Waterlinie. De eigenaren van dit fort hebben de eerste prijs gekregen van de Stichting Historische Sluizen en Stuwen voor de beste restauratie van twee sluizen. In dit fort drinken we koffie of thee of chocolademelk met het bekende Rotta-voer uit eigen keuken, al of niet met slagroom. Zonder geraakt te worden door rondvliegende kogels houden we in de schietbunker onze sanitaire stop. In dit fort is een bierbrouwerij gevestigd: “Duits en Laurent”. We hebben de verleiding om een lekker biertje te nemen kunnen weerstaan.

De uiterwaard waar we nu zijn heet de Goilberdingerwaard. De flora en fauna hier zijn totaal anders dan in de Steenwaard. Hier zijn bossen en grote struiken en hoge planten. We volgen het klompenpad dat ons voert langs de Lek. We horen en zien: zwartkoppen, tjiftjafs, merels, putters (ze komen op de vele distels af), kneu (het lievelingsvogeltje van Hans Dorrestijn), we zien het mannetje en het vrouwtje, vier overvliegende lepelaars, op insecten jagende boerenzwaluwen, houtduiven, cetti’s zanger, eksters en karekieten en een biddende torenvalk.

Boerenwormkruid

Aan planten: ratelaar (parasiteert onder andere op gras), meidoorns, gigantisch grote populieren, harig wilgenroosje, perzikkruid, knoopkruid, agrimonie (heeft een sterke appellucht), moerasandoorn, reseda, wit kaasjeskruid, knikkend wilgenroosje, teunisbloem, wilde peen, speerdistel, guldenroede en kompassla. Het is zomaar een greep uit de weelderige plantengroei. In de grond zien we veel mollen- en woelratgaten. Verder: naaktslakken, tuinslakken, een bruine kikker en gevlekte schapen.

Holle boom

Heel bijzonder is een grote, bloeiende, holle boom. Deze boom staat nog helemaal overeind alleen op zijn schors. Veel planten staan in volle bloei. Door het wat grauwe weer missen we de vlinders en de insecten. Die zien we een volgende keer wel.

Dank aan de roerganger, aan de natuurgidsen en aan alle deelnemers.

Verslag en foto's: Piet Mulder