Op zaterdag 24 september gingen ongeveer twintig Rotta-leden op excursie naar de Biesbosch. Het was een uitgelezen dag met een stralend blauwe hemel en gelukkig niet meer zo heet als de dagen daarvoor. Omdat op zaterdag de pont vanaf de Kop van het Land naar de Biesbosch pas begint te varen vanaf kwart voor tien, reden we om via Gorinchem...

Vanaf Werkendam de Biesbosch in rijdend zagen we al meteen de grote veranderingen die de Biesbosch heeft ondergaan in het kader van het project Ruimte voor de Rivier. Grote stukken landbouwgrond zijn terug gegeven aan de natuur. Vaak is de toplaag van de grond afgegraven waardoor ook in de zomer het gebied heel waterrijk is. Vanuit de auto zien we al vele soorten vogels, die echter nog geen aandacht geven. Vanaf het parkeerterrein bij het nieuwe Biesboschmuseum gaan we een door Henk Zomer uitgezochte wandeling maken. Hoewel het voor echte vogelaars niet echt vroeg meer is, horen we al lopend door een populierenbos vele soorten vogels hun ochtendlied zingen. Naast de groene specht, met zijn kenmerkende “lach”, horen we ook de roffel van de grote bonte specht. De aanwezigheid van deze laatste soort is niet verwonderlijk, omdat door het onder water zetten van groet delen van het gebied ook veel populieren met hun voeten in het water zijn komen te staan en zijn afgestorven. De dode bomen vormen nu een rijk voorziene voedselbron voor de spechten.

Ook horen we meerdere exemplaren van de Cetti’s zanger. Rien van der Vorm vertelt ons dat deze zuidelijke soort bezig is vanuit de Biesbosch ons land te veroveren. De populatie in de Biesbosch wordt geschat op 700 paar. Iets verder op komen we bij open water en zien daar allerlei eenden die zich door de ruiperiode niet makkelijk laten identificeren. Op een slikplaat, met de mooie naam Pannekoek, zien we een vogel die aanleiding geeft tot veel discussie. Uiteindelijk komen we tot de conclusie dat het een watersnip is die je op zo’n open plek niet direct zou verwachten. Later tijdens de wandeling zien we nogmaals meerdere watersnippen op vergelijkbare plekken. De vogels houden zich niet altijd aan het boekje. Even later zien we in de achtergrond voor een rietkraag een ree verschijnen die ons nauwlettend in de gaten houdt. In de verte zien we ook een keurige rij witte vogels. Het blijken ongeveer vijftien lepelaars te zijn.

Door lopend langs het pad zien we achtereenvolgens een plataan, een paardenkastanje en een linde, alle drie soorten die doen herinneren aan de tijd dat dit boeren land was. Op meerdere plaatsen zien we dwars over het pad wildsporen, waarvan we vermoeden dat het oversteekplaatsen zijn van bevers. We zien geen pootafdrukken die extra bevestiging van dit vermoeden kunnen geven. Net heeft Rien gezegd dat hij er toch wel op rekent dat we ijsvogels zullen zien, als we inderdaad op een tak van een dode populier een exemplaar zien. Helaas vliegt de ijsvogel weg maar we kunnen de kenmerkend blauwe flits goed zien. Op de zelfde plek zien we een paar zwarte zwanen, voor de preciezen onder ons zijn het exoten, maar deze exemplaren hebben zich toch wel duidelijk in de vrije natuur gevestigd en hebben het stadspark achter zich gelaten. Iets later zien we vanaf het water ongeveer 50 lepelaars de lucht in gaan en een trekformatie vormen. Ze zetten hun vlucht naar het zuidwesten in, maar landen na korte tijd weer. Kennelijk was dit alleen maar een oefenvlucht voor de echte trek. Met zulk mooi weer kun je als lepelaar ook beter nog even in Nederland blijven.

Nadat we in de berm van de weg, gelukkig niet druk, onze boterhammen hebben gegeten, komen we bij de Spieringsluis. Net daar voorbij zien we achter wat populieren het silhouet van een visarend, voor ons allemaal toch wel een bijzondere waarneming. We wandelen door de heringerichte Polder Jantjesplaat. Het is intussen goed warm geworden. De vogels houden zich hierdoor extra verscholen en we doen dan ook geen bijzondere waarnemingen meer. Op de de terugweg lopen we door de oeverzone van de Nieuwe Merwede. Daar zien we eindelijk het bewijs van de aanwezigheid van bevers. Diverse bomen zijn op de voor bevers kenmerkende wijze door geknaagd. De bevers zelf zien we uiteraard niet; daarvoor zijn we op het verkeerde moment aanwezig.

Aan het slot van onze wandeling zien we nog de grote en de kleine zilverreiger keurig naast elkaar staan. We kunnen ze mooi vergelijken. De grote zilverreiger heeft de gele snavel en de kleine zilverreiger gaat aan de wandel waardoor we zijn gele voeten goed kunnen zien. Ook zien we naast het formaat verschil ook een duidelijk verschil in houding, maar zo’n verschil laat zich moeilijk omschrijven.

Tevreden komen we weer teug bij de auto’s. We bedanken Henk voor het organiseren van deze excursie en Rien voor het geven van extra duiding van al het moois dat we gezien hebben.

Tekst en foto's: Machiel Brinkhorst